De globalisering van het alledaagse    -   Jan Blommaert


De globalisering wordt voortgedreven door een stroom van mensen, goederen, kapitaal, beelden en woorden en bij die laatste twee speelt het toerisme een hoofdrol. In de toeristische industrie vinden we wat Arjun Appadurai (1.)  ‘idioscapes’ noemt: een wereldwijd verspreide beeldtaal met een ideologische omkadering ter interpretatie van die beelden.  We krijgen gestructureerde boodschappen - brochures, websites, tv-programma’s - te zien, waarin ons welbepaalde beelden van plaatsen getoond worden én commentaar op die beelden wordt gegeven.  Steeds weer tonen de beelden ons ‘bezienswaardigheden’ of ‘fraaie’ plaatsen: ongewoon weelderige of spectaculaire natuur, tempels, kathedralen, paleizen, kastelen, musea, winkelwijken, luxehotels. Die plaatsen worden ook bewoond door ongewone mensen: mensen in traditionele klederdracht, die zowel inheemse kunst, ambachten en dansen demonstreren als de authentieke keuken; mooie mensen die genereus lachend de toeristen verwennen. En dit alles (hier komt de ideologische omkadering) wordt ons voorgesteld als ‘typisch’ en ‘authentiek’. Het is het begeerde plaatsbeeld, de geglobaliseerde wereld zoals-we-ze-(wensen-te-) kennen: een verzameling van zeldzame, verbluffend mooie oorden waar het geluk voor het grijpen ligt en waar de serene inname van schoonheid ons allen beter zal maken. Een reis naar Beijing brengt ons dus onvermijdelijk naar het Tien An Men-plein, de Verboden Stad, de Hemelse Tempel, het Olympisch Stadion en de Grote Muur.
Bert Danckaerts reis naar Beijing resulteerde in een heel andere verzameling van beelden: een serie alledaagse muren, onbeduidende muren en muren die van overal elders konden zijn – van Mexico, Parijs of Johannesburg even goed als van Beijing. Wij herkennen in zijn werk vreemd genoeg een erg bekend universum: dat van de banale, alledaagse plaatsen waarin wij zoveel van ons leven doorbrengen, plaatsen die we passeren zonder er enige aandacht aan te schenken, plaatsen die slechts delen van een traject zijn, delen van een lijn die de ene plaats met de andere verbindt. Plaatsen, kortom, die ons leven en dat van zoveel andere mensen in de verstedelijkte wereld bepalen. De muren in Danckaerts werk zijn echter een podium.  Ze zijn een podium voor sporen van menselijke activiteit, voor dat wat mensen met de stedelijke ruimte uitrichten: het creëren van woonruimtes, van voorzieningen, van afval en rommel, de schijnbaar gedesorganiseerde patronen  van objecten waarvan je je afvraagt waarvoor ze dienen en hoe ze er gekomen zijn. De muren zelf zijn er de belangrijkste onderdelen van, misschien zelfs de enige stabiele en transparante delen. Zijn werk suggereert een opeenstapeling van menselijke activiteit, die resulteert in deze bijzondere, vreemd vertrouwde geometrische patronen van de laat moderne verstedelijking. Die geometrie wordt geaccentueerd door de aanwezigheid van de muren, de menselijke leefwereld. Want het is rond de menselijke leefwereld dat we gedesorganiseerde patronen van objecten zien verschijnen in clusters en dat we een stad een stad zien worden.
Bert Danckaerts werk dwingt ons na te denken over wat typisch en authentiek is. Zoals gezegd, hadden deze beelden van Beijing van overal elders kunnen komen. Slechts een paar beelden suggereren dat dit China is en niet bijvoorbeeld Frankrijk of Italië. Slechts in een handvol foto’s zien we de kleuren, de vormen en de iconische kenmerken die wij, op basis van onze geglobaliseerde ideologische beeldvorming, met ‘Chinees’ associëren. Toch gaat zijn werk natuurlijk over Beijing en de menselijke habitat die hij fotografeert, is de Chinese habitat. Dus kan dit op vele manieren niet van ergens anders zijn, dit moet uit Beijing zijn, deze beelden moeten ons iets over Beijing vertellen. Vergelijk dit met de Chinese restaurants in de Chinese wijken van Europa en de VS. Heel vaak is wat we daar zien het tegengestelde van wat we zien in het werk van Danckaert: een exuberante ‘Chineesheid’ die zijn typisch- en authentiek-zijn uitschreeuwt naar de plaatselijke bezoekers. Rode en gouden kleuren, beelden van de draak, de griffoen en de feniks, af en toe een lachende Boeddha, Chinese opschriften: het is er allemaal en het ademt allemaal ‘Chineesheid’ uit. Toch gaat dit vaak gepaard met voldoende informatie in de plaatselijke taal om klanten aan te trekken. Ook de taal waarin het restaurant wordt geëxploiteerd is gewoonlijk de plaatselijke taal, niet Mandarijns Chinees of Kantonees. In die zin kunnen Chinese restaurants niet Chinees zijn en moeten ze wel gelokaliseerd zijn in Londen, Amsterdam, Rio de Janeiro of Kaapstad.
Dit is het vreemde dilemma waarvoor het werk van Danckaert ons plaatst: objecten en ruimtes die ‘typisch’ lijken, zijn slechts ‘typisch’ voor buitenstaanders en in die zin erg ‘ontypisch’ vanuit een inheems standpunt. Voor de meeste inwoners van Beijing is de Verboden Stad waarschijnlijk een minder belangrijke plaats dan de plaats waar ze werken of dan hun lokale buurt of supermarkt. Lokale levens worden georganiseerd rond gewone, lokale plaatsen, niet rond bezienswaardigheden. Omgekeerd zal de toerist die Beijing bezoekt die lokaal belangrijke plaatsen veel minder interessant vinden dan de Verboden Stad, want voor hem of haar is de Verboden Stad ‘typisch’, terwijl de plaatsen waar de Chinezen werken hem of haar te veel herinneren aan thuis en en dus erg ‘ontypisch’ lijken. Hij of zij ontmoet er dezelfde niet-historische bakstenen en betonnen bouwsels als thuis – de dingen waarop Danckaert focust. Dit dilemma – de omkering van het ‘typische’ die afhankelijk blijkt van verschillende standpunten – ligt in het wezen van de globalisering. Het definieert veel van wat wij beweren te begrijpen van de wereld en het verklaart waarom wij in deze geglobaliseerde wereld zo vaak botsen op verschillende perspectieven, prioriteiten, betekenissen en geen andere uitweg zien dan het over ‘cultuur’ en ‘interculturele verschillen’ te hebben. Aan de basis van dit misverstand ligt de notie van het ‘typische’ en het ‘authentieke’, wat alleen maar te maken heeft met het onvermijdelijke verschil tussen leden van een gemeenschap en niet-leden. Leden bouwen hun eigen normaliteit op, ze organiseren de ruimte als een leefwereld, niet als een bezienswaardigheid – historisch ontstonden bezienswaardigheden zoals paleizen, tempels en kastelen ondanks en vaak in de plaats van - of in conflict met - de plaatselijke habitat en haar bewoners. Niet-leden worden aangetrokken door het ongewone, door het merkbaar verschil tussen ‘hier’ en ‘daar’. Dit contrast bestaat slechts voor de buitenstaander en heeft weinig relevantie voor insiders.
In de geschiedenis van de Westerse wetenschap wordt die standpuntenkwestie onderzocht door de etnografie, een methodologische tak van de antropologie, waarin waarnemers (per definitie niet-leden) zo dicht mogelijk proberen te komen bij het ‘inheems standpunt’, bij de classificeringen en methoden die de leden van een gemeenschap aanwenden in het werkelijke leven. Etnografie (zo vertelt elk handboek ons) wordt gekenmerkt door een klinische blik, een blik die de geobserveerde objecten en menselijke activiteiten denaturaliseert en abnormaliseert. Het is door te weigeren de dingen voor vanzelfsprekend aan te nemen – door m.a.w. te weigeren het eigen standpunt als normaal te beschouwen – dat de etnografie doordringt tot het hart van culturele aangelegenheden en tot de kern van de sociale organisatie. De vereiste daarvoor is, uiteraard, weigeren het ongewone als ongewoon te aanvaarden, weigeren verbaasd, geschokt of geraakt te zijn door wat geobserveerd wordt en hardnekkig willen leren en begrijpen (herinnerend aan wat in de Griekse filosofische traditie apatheia genoemd werd, de afwezigheid van passie als leidraad voor echte kennis).
In de etnografie herschikt men de wereld van de leden van een gemeenschap niet en verwacht men ook niet dat die wereld herschikt wordt omwille van de waarnemer. Het gaat er om authentieke normaliteit, alledaagse authenticiteit. Betekenissen moeten er geleerd worden, niet opgelegd of ingeplant en als ze geleerd zijn, zal uit de klinische blik een klinische vertelling van het normale voortvloeien, waarin het vreemde ‘traditionele’ doen en laten telkens voorgesteld wordt als ‘slechts’ het leven van iemand of van een groep, als ‘slechts’ iemand anders zijn manier om betekenis en orde te brengen in het dagelijks leven. Etnografische geschriften zijn verhalen over de gewone man in het dagelijks leven en voor zover er ongewone dingen gebeuren – rituelen, conflicten, evenementen –, worden ze behandeld als slechts een deel van de orde van het dagelijks leven.
Precies dat heeft Bert Danckaert gedaan. Zijn lens is een klinisch etnografisch instrument van observatie en narratie. Wat zijn werk toont, is het authentieke en typische van binnenuit gezien, vanuit het perspectief van de leden. Dit is bevreemdend voor al wie is opgegroeid in de klantvriendelijke beeldtaal van het wereldtoerisme, maar het is onvermijdelijk. Het brengt ons langs een binnenweg tot bij een doorleefde ervaring, langs een binnenweg die de opeenstapeling van categorieën van het niet-leden-typische en –authentieke overslaat, tot bij een Beijing dat echt, authentiek en reëel is als leefwereld voor miljoenen mensen. Het helpt ons de lawine van ‘typische’ beelden en boodschappen te overleven waaronder wij momenteel bedolven worden in het Olympisch jaar in Beijing – een lawine van beelden die wellicht meer ons, toeristen, typeren dan hen, de Chinezen. Het helpt ons een ‘typisch’ Beijing te zien dat alledaags is en te beseffen dat de perceptie van dit alledaagse Beijing een belangrijk aspect van de globalisering blootlegt: het is het moment waarop wij de Ander beginnen te leren kennen, waarop wij in staat zijn over de opeenstapeling van het verkoopsvriendelijke typische en authentieke heen te stappen en beginnen het-leven-zoals-het-is te begrijpen: zoals het zich weerspiegelt in de organisatie van de ruimte als een habitat en niet als een bezienswaardigheid. Danckaerts werk wordt zo een mijlpaal van intercultureel begrip; het slaagt erin niet in de val te trappen van de gemakkelijke beeldtaal van het exotisch-typische, maar brengt ons terug naar waar alles begint en eindigt: naar het echte menselijke leven. In een tijd van globalisering is zo’n graad van begrip een reële, waardevolle vorm van kennis.

1. Arjun Appadurai, Modernity at Large. Minneapolis: University of Minnesota Press, 1996